Sonny Rollins is een pupil van pianist Thelonious Monk, en groeit midden jaren 50 uit tot een van de grote namen in de bebop. In het begin van zijn decennialange carrière zet hij verschillende jazzklassiekers achter z’n naam, zoals ‘St. Thomas’, ‘Oleo’, en ‘Airegin’. Hij is vooral geroemd omwille van zijn indrukwekkende improvisatievermogen, dat tijdens optredens vaak tot uiting kwam in langgerekte solo’s.

De jazzman op de brug

Tussen 1959 en 1961 was het een vertrouwd gezicht voor passagiers op het traject van de J Train, de New Yorkse metrolijn die Queens verbindt met Lower Manhattan: verscholen in het metalen skelet van de Williamsburg Bridge, een man die blazend op z’n saxofoon de elementen trotseert. De man op de brug is geen verloren gelopen straatmuzikant, maar Sonny Rollins. Toen al een van de grote namen in de bebop, de nieuwe stroming die sinds eind jaren ’40 de jazz revolutioneerde.

Vanaf de zomer van 1959 laat Rollins (28 jaar jong op dat moment) zich twee jaar lang niet zien in de jazzclubs en opnamestudio’s van New York. Een zelf opgelegde pauze, ingelast om z’n techniek aan te scherpen. "Ik speelde elke dag op die brug, soms tot 15 uur lang", zei hij over zijn sabbatjaren. "Als het koud was, dan speelde ik met handschoenen, zonder probleem."

Opgroeien in een ketel vol creativiteit

Sonny Rollins ziet het levenslicht op 7 september 1931, in New York. Hij groeit op in Sugar Hill, een gegoede wijk in Harlem die bekendstaat om z’n bruisende culturele leven. "Alsof je in een ketel vol creativiteit leeft", zegt Rollins over z’n jeugdjaren. "Opgroeien in Harlem gaf me een gevoel van trots en identiteit. Het was een levendige gemeenschap waar zwarte cultuur werd gevierd, en dat heb ik m’n hele carrière meegedragen." Verschillende jazzlegendes, waaronder Count Basie en Duke Ellington, hebben hun domicilie in Sugar Hill. “Je kon er Coleman Hawkins of Roy Eldridge hun boodschappen zien doen”, aldus Rollins. "We waren omsingeld door de reuzen van de zwarte gemeenschap." Op de middelbare school speelt Rollins in een band met latere grootheden als Art Taylor en Jackie Maclean. Pianist Thelonious Monk neemt de jongere Rollins onder z’n vleugels, en smokkelt hem als minderjarige regelmatig de jazzclubs binnen.

Heroïne en de gevangenis

In die jazzclubs leert Sonny Rollins iconen als Billie Holiday en Charlie Parker kennen. En met hen ook de verleiding van de roes. ‘Man, Charlie Parker gebruikt drugs. Als je zoals hem wil spelen, dan moet je het ook doen!’, beschrijft Rollins de logica achter de verleiding. "Sommigen van ons trapten in die val, ik ook." Begin jaren ’50 belandt Rollins tweemaal in de gevangenis, tussendoor bivakkeert hij in de studio, onder meer met Miles Davis en Thelonious Monk. Met Davis neemt Rollins in 1954 z’n eerste, toekomstige klassiekers op: ‘Oleo' en ‘Airegin’. Beide composities – te vinden op het album ‘Bag’s groove’ – groeien uit tot standards.

In 1956, wanneer Rollins na een destijds experimentele methadonbehandeling definitief van de heroïne afkickt, verschijnt de langspeler die letterlijk zijn naam maakt: ‘Saxophone colossus’. Die albumtitel/bijnaam blijft een leven lang kleven aan Rollins, en de plaat bevat ook een van zijn bekendste tracks: ‘St. Thomas’, gebaseerd op een calypsoritme, maar in werkelijkheid geïnspireerd door een Deense melodie die via de Maagdeneilanden (waar Rollins’ roots liggen, en ooit een Deense kolonie) in de muziek sloop “Dat ik een song kan spelen met Deense roots, waarvan iedereen denkt dat het een calypso is, dat maakt jazz universeel”, vertelt Rollins in 2011 aan De Standaard.

Muziek als spirituele praktijk

Sonny Rollins heeft zich nooit expliciet in de avant-garde van de jazz geroerd, maar hij verzette wel bakens. Zo brengt hij in 1958 het album ‘The Freedom Suite’ uit, waarvan de titeltrack een van de eerste protestsongs in de naoorlogse jazz is, een aanklacht tegen raciale ongelijkheid en een pleidooi voor burgerrechten. Naast zijn politiek bewustzijn ontwikkelt Rollins ook een steeds groter innerlijk bewustzijn. Tijdens zijn sabbatjaren 1959-1961 verdiept hij zich voor het eerst in meditatietechnieken. “John Coltrane en ik wisselden boeken uit over spiritualiteit”, vertelde hij over zijn collega op de tenorsaxofoon. "We babbelden veel over boeddhisme en over religie. Hij was een dierbare vriend." In 1968 trekt Sonny Rollins zich voor een tweede keer enkele jaren terug uit het publieke leven. Hij reist onder meer naar een ashram in India, om zich verder te verdiepen in yoga, zen-meditatie en de hindoeleer van Advaita Vedanta. “Meditatie en muziek zijn met elkaar verweven voor mij. Het zijn beide manieren om een hogere staat van bewustzijn en begrip te bereiken”, zegt Rollins in zijn biografie ‘Meditating on a riff’. “Muziek is altijd mijn manier geweest om te communiceren met het goddelijke. Het is een spirituele praktijk, niet gewoon een kunstvorm."

Soleren met de volharding van een bokser

Bebop, Latijns-Amerikaanse en Caribische invloeden, blues, populaire Broadwaydeuntjes, funk: Sonny Rollins verweefde door de decennia heen vele genres in z’n muziek. De grote constante is zijn immense talent voor uitgebreide, geïmproviseerde solo’s. ‘De grootste nog levende improvisator’, zo wordt Rollins decennialang geafficheerd. John Coltrane overleed al in 1967. Thelonious Monk verdwijnt voor zijn dood in 1982 midden jaren ’70 al stilletjes van het toneel, rond dezelfde periode dat Miles Davis nieuwe paden richting de jazzrock verkent. In 1991 blaast ook Miles z’n laatste adem uit.

Terwijl Sonny Rollins de grootste zalen en jazzarena’s blijft vullen, blijft hij soleren met de souplesse en verbetenheid van de gevreesde amateurbokser die hij ooit was, tijdens z’n jonge jaren in Harlem. Wanneer twee vliegtuigen zich op 11 september 2001 in de Twin Towers boren, moet de vlakbij wonende Rollins in allerijl z’n appartement evacueren, met enkel z’n saxofoon in de hand. Vijf dagen later reist hij naar Boston en speelt er een concert dat later op plaat wordt uitgebracht als ‘Without a song: The 9/11 concert’, goed voor een Grammy Award.

Verplicht tot het pensioen door longfibrose

Dat het met zijn gezondheid sinds 9/11 fel achteruitgaat, wijt Rollins zelf aan de giftige wolken die toen de straten van Manhattan vulden. Vanaf 2014 houden de langdurige effecten van longfibrose hem definitief aan de kant. “Op m’n hoorn blazen maakte me alleen maar zieker”, klinkt het, 4 jaar geleden in The Guardian. Troost om het verlies van zijn levensdoel vindt Rollins in mediteren en zijn vertrouwde, oosterse filosofieën. Daar hoort ook het geloof in reïncarnatie bij. "Het is niet gewoon één trip", zei Sonny Rollins over het leven. "We kunnen niet alles leren tijdens één trip. Mijn lichaam zal tot stof vergaan, net zoals alles op deze planeet. Maar het gaat niet over mijn lichaam – het gaat over mijn geest, mijn ziel. Wie weet hoeveel triljoen levens ik heb geleid? Ik weet zeker dat één leven niet volstaat."